Robert nam nog eens het foldertje over
het beleggingsfonds door. De bankbediende bleef nu minder lang weg dan de
vorige keer. Bij zijn terugkeer had hij een geldkoffertje bij, dat hij moeizaam
opende.
‘Honderd, tweehonderd, driehonderd…’
Hij zuchtte alsof het zijn eigen zuur verdiende centen waren die hij moest
afstaan.
Toen hij Robert had laten aftekenen, zuchtte hij nogmaals. ‘Hier krijg ik problemen mee,’ zei hij.
Daarna maakte hij een bankcheque op.
Net voor hij de cheque wou overhandigen, vroeg hij of Robert soms een
appartementje aan zee wou kopen. ‘We hebben op het ogenblik enkele heel interessante
leningsformules. Met een heel lage rente. Wel jaarlijks herzienbaar
natuurlijk.’
‘Natuurlijk.’ Robert trok de bankcheque met een rukje uit zijn handen. ‘Als het nodig is, neem ik onmiddellijk met u contact op.’
‘Dat is goed,’ zei de bankbediende.
‘Hier hebt u alvast mijn kaartje.’
‘Dank u.’ Op kantoor had Robert een
hele hoop van die kaartjes liggen. Om de zoveel maanden gooide hij ze in de
papiermand. Hij schudde de man de hand. ‘Tot ziens misschien.’
Dit was leven, Yvonne had gelijk. Het was misschien niets om mee uit te pakken, niets om fier op te zijn, maar het bood wel comfort.
Benieuwd naar het vervolg? Afspraak op zondag!